De Nederlandse overheid zet voor de warmtetransitie groots in op warmtenetten. Als de Eerste Kamer instemt, moet dat vanaf 2026 gebeuren volgens de Wet collectieve warmte. Dit wetsvoorstel schrijft onder meer voor dat warmtenetten een publiek meerderheidsbelang krijgen en dat warmtebedrijven warmte kunnen ophalen bij bedrijven die hun eigen restwarmte niet zelf gebruiken. Ook ziet de wet toe op de tarieven voor consumenten. Gaat dat werken?
Stilstand warmtetransitie
Een veelgehoord kritiekpunt op de wet is dat commerciële bedrijven zullen afhaken, terwijl hun inbreng hard nodig is voor de uitbreiding van warmtenetten. Eneco zegt door de onzekerheid die de wet brengt bijvoorbeeld te vrezen voor een stilstand van de warmtetransitie. Ook David Smeulders, professor energietechnologie aan de Eindhoven University, ziet die risico’s. “De investeringskracht van commerciële bedrijven is nodig om nieuwe netten aan te leggen. Ik denk zelfs dat bestaande netten gaan afbrokkelen door deze socialisatie.”
De stilstand waar Eneco voor vreest, is al langer gaande. De aanleg van warmtenetten is tot nu toe ver achtergebleven bij de afspraken in het Klimaatakkoord. In plaats van de beoogde 80.000 tot 100.000 aansluitingen per jaar, zijn er jaarlijks zo’n 15.000 aansluitingen bij gekomen.
Te weinig publieke investeringen
Volgens Energie Beheer Nederland (EBN), een publiek warmtebedrijf met de Rijksoverheid als enige aandeelhouder, komt dat juist door te weinig publieke investeringen. Voor warmtenetten zijn immers langetermijninvesteringen nodig, zonder veel rendement in het begin. Daar zijn publieke partijen beter in, schrijft EBN in een position paper.
“In de huidige warmtemarkt is zo’n 70% van de huidige aansluitingen gerealiseerd toen energiebedrijven nog in publieke handen waren. Vanuit die overweging is de opzet van warmtebedrijven met een publiek meerderheidsaandeel een goede randvoorwaarde om versnelling mogelijk te maken.” EBN zou graag door de overheid worden aangewezen als publieke mede-investeerder in warmtebedrijven, de zogeheten Nationale Deelneming Warmte (NDW).
Ingroeiperiode
Pieter Verstraten, onderzoeker bij TNO, staat er neutraal in. “Als de wet straks door de Eerste Kamer is, dan is het aan de bedrijven zelf om de afweging te maken of zij een rol voor zichzelf zien met deze spelregels.”
Om te voorkomen dat commerciële bedrijven zich te snel terugtrekken en eventuele investeringen teniet worden gedaan, is in de wet een ingroeiperiode afgesproken. Vanaf het moment dat de wet ingaat, hebben ook níet grotendeels publieke warmtebedrijven nog tien jaar de kans om aangewezen te worden voor de ontwikkeling van een warmtenet.
Kennis en kunde
Critici betwijfelen ook de kennis en kunde van publieke partijen om de warmtetransitie in goede banen te leiden. Je krijgt consumenten bijvoorbeeld niet zomaar enthousiast over een aansluiting op het warmtenet. Smeulders: “En als er geen animo is voor warmtenetten, koopt iedereen een warmtepomp. Dan gaat de transitie individueel, niet collectief. Dan hoef je niet meer aan te komen zetten met je netje.”
Dat zou nadelig zijn voor netcongestie. Een groot voordeel van warmtenetten is dat warmte wordt losgekoppeld van elektriciteit. Warmte is volgens EBN goed voor 40% van de energievraag in Nederland.
Enorme kennisslag
Over de capaciteiten van gemeenten maakt Verstraten zich niet zo’n zorgen. Die zijn nu misschien nog niet zo ver ontwikkeld, maar dat kan nog komen. “Gemeenten gaan sowieso een grote rol krijgen in deze energietransitie en ze gaan daarvoor een enorme kennisslag maken. Je moet hen dus niet alleen op hun huidige kennisniveau beoordelen, maar op wat er mogelijk is.”
Verstraten betwijfelt ook of commerciële bedrijven beter zijn in het aansluiten van huishoudens op warmtenetten. “Sommigen gaan ervanuit dat consumenten meer vertrouwen hebben in publieke dan in commerciële bedrijven.” Die ervaring heeft ook gemeente Rotterdam, die bij de ontwikkeling van een warmtenet voor Bospolder-Tussendijken veel wantrouwen tegenkwam bij inwoners jegens ‘monopolisten’ zoals Eneco.
Tarieven laag houden
Het wetsvoorstel is mede tot stand gekomen om de tarieven voor consumenten binnen de perken te houden. Over de vraag of publieke partijen of juist marktpartijen daar nou beter in zijn, is volgens Verstraten veel politieke discussie gevoerd. Los van de kosten en de vertaling daarvan naar tarieven, speelt ook rendement een rol. Verstraten: “Als een gemeente tevreden is met een lager rendement dan commerciële bedrijven, dan doet dat ook wat met de betaalbaarheid.”
De tarieven voor warmte koppelt de wet niet meer - zoals voorheen - aan de gasprijs, maar aan de kosten voor het leveren van warmte in een specifiek warmtenet. Daar moet ACM op toezien. Smeulders: “Dat betekent alle ballen op de ACM. Maar ACM heeft daar te weinig mensen voor, dus dan wordt de consument de dupe.”
Gratis restwarmte
In de wet staat ook het zogenoemde ophaalrecht. Warmtebedrijven mogen voor hun warmtenetten warmte ophalen bij bedrijven die hun overtollige warmte zelf niet gebruiken. De bedrijven die de restwarmte produceren, mogen voor die warmte zelf geen kosten in rekening brengen. Ze mogen wel kosten in rekening brengen om de overlevering van warmte mogelijk te maken. Bijvoorbeeld voor de nieuwe infrastructuur die nodig is om de warmte beschikbaar te stellen of voor de benodigde aanpassing van processen.
Marktwerking
Dat bedrijven voor de restwarmte geen vergoeding mogen rekenen, vindt Smeulders communistisch. “Elektriciteit heeft toch ook een prijs?” Hij ziet meer in een platform waarop aanbieders en aanvragers van warmte elkaar kunnen vinden en waar marktwerking de prijzen regelt. “Nu krijgen bedrijven niets extra’s voor het leveren van restwarmte. Hoewel het voor hen wel veel gedoe betekent.”
Verstraten vergelijkt de situatie met die in andere landen. Zoals in Denemarken, waar bedrijven moeten betalen om hun restwarmte te lozen. “De wet bekijkt de restwarmte vooral vanuit maatschappelijk oogpunt: het is zonde om restwarmte weg te gooien. Maar je moet het ook bekijken vanuit de warmtenetten zelf. Is restwarmte echt de goedkoopste bron? Anders moet je op zoek naar een andere bron.”
Goede basis
Zoeken naar nieuwe warmtebronnen is sowieso handig met het oog op verduurzaming. Verstraten: “Restwarmte brengt onzekerheid omdat je niet weet wat er met de industrie gaat gebeuren.” Als bedrijven verduurzamen, houden zij bijvoorbeeld minder restwarmte over. Volgens Verstraten moeten warmtebedrijven restwarmte daarom zien als een goede basis om mee te beginnen, voor de eerste vijf of tien jaar. Ook hier wijst hij weer naar Denemarken, waar veel warmtenetten ooit begonnen met olieboilers en intussen een hele diverse mix aan bronnen hebben opgebouwd.
Rechtszaak
Smeulders ziet het gratis ophalen van restwarmte niet snel gebeuren. “Een bedrijf moet dan allemaal mensen binnenlaten en primaire processen stilleggen. Alleen al de informatie over de hoeveelheid restwarmte die zij produceren, is niet iets dat bedrijven graag delen. Al helemaal niet met grotendeels publieke warmtebedrijven, gezien de Wet open overheid.” Smeulders verwacht daarom niet dat bedrijven zomaar meedoen als warmtebedrijven langskomen met de nieuwe wet in de hand. Smeulders: “Ik verwacht dat ze zeggen: ‘Bekijk het maar, ik zie de rechtszaak met vertrouwen tegemoet.’”













